Leerplein 2 – 6 jaar

Peuters

Het pedagogisch beleid in de peuteropvang is gebaseerd op de theorie van Vygotski: kinderen leren nieuwe vaardigheden in ‘de zone van naaste ontwikkeling’. De pedagogisch medewerkers creëren een omgeving waar kinderen gevarieerd kunnen spelen. Zij luisteren en kijken naar kinderen. Door aan kinderen de juiste vragen te stellen, de juiste materialen te geven en de juiste handelingen voor te doen, stimuleren zij kinderen in hun brede ontwikkeling. Natuurlijk is er veel aandacht voor de creativiteit. De pedagogisch medewerkers lezen de kinderen vaak voor. De kinderen genieten daarvan en het is goed voor hun taalontwikkeling. Kinderen zijn voortdurend bezig de wereld te ontdekken en ontwikkelen zich snel. Op de peuterspeelzaal wordt hierop ingespeeld door de kinderen in thema’s allerlei onderwerpen aan te bieden.

Spelen met leeftijdgenootjes is van groot belang om sociaal vaardig te worden. De peuters leren spelenderwijs rekening houden met elkaar, op hun beurt wachten en samen spelen. Zij leren ook op speelse wijze omgaan met regels en wennen aan een vaste dagindeling met verschillende activiteiten.

Kleuters

In de groepen 1 en 2 wordt thematisch gewerkt volgens de principes van basisontwikkeling; we houden rekening met de verschillen in ontwikkeling van kinderen. De eigen ervaring en het zelf ontdekken nemen een belangrijke plaats in. Net als in de peuteropvang staat om de 4 à 5 weken een thema centraal, bijvoorbeeld ‘herfst’. Aan de hand van dit thema worden diverse activiteiten aangeboden en uitgewerkt op allerlei ontwikkelingsgebieden (taal, rekenen, beweging, muziek, e.d.). Een aantal thema’s worden bij de peuters en kleuters gezamenlijk uitgewerkt en een aantal thema’s is afhankelijk van wat er op dat moment in de groep speelt.

We volgen de leerlingen aan de hand van het observatiesysteem ‘Leerlijnen jonge kind’ in Parnassys. De leerkracht observeert de kinderen met behulp van ontwikkelingslijnen die gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek en op ervaringen uit de praktijk. Bij het invullen geeft de leerkracht op basis van de observatie per ontwikkelingsaspect aan in welke ontwikkelingsfase het individuele kind zich bevindt. In samenhang met de basiskenmerken van het kind, de betrokkenheid en eventuele risicofactoren ontstaat een compleet beeld van de ontwikkeling. Aan de hand hiervan maakt de leerkracht de juiste keuzes op
pedagogisch, didactisch en organisatorisch gebied.